Het doel van vaccineren is om bescherming, zogenaamde immuniteit op te wekken tegen bepaalde ziekteverwekkers. Serologie is een manier om de mate van deze bescherming te meten in het bloed (serum). Dit eenvoudige principe biedt in de praktijk een scala aan mogelijkheden om zicht te krijgen in de complexe wereld van het afweersysteem.

Het meten van antilichamen

Het afweersysteem van een vogel reageert op ziektekiemen (antigenen) door het aanmaken van antilichamen. Antilichamen binden aan ziektekiemen om deze zo onschadelijk te maken. Zowel veldinfecties als vaccinaties stimuleren via een vergelijkbaar principe de productie van antilichamen. Dit betekent dat serologie dus gebruikt kan worden om zowel het effect van vaccinaties, maar ook de blootstelling van dieren aan een veldinfectie te meten.
Er zijn verschillende testmethoden om de aanwezigheid en/of hoeveelheid van antilichamen te meten. De ELISA-test bijvoorbeeld wordt hiervoor steeds meer routinematig gebruikt. Het uitgangspunt van deze test is dat antilichamen en antigenen samen binden en zo een klont vormen. De meest gebruikelijke methode is om serum toe te voegen aan een vooraf bereide plaat die is gecoat met een bekend antigeen en fluorescerende stof. Hoe meer klontvorming, des te meer fluorescentie en dus antilichamen in het serum monster. Dit is de basis van de ELISA-test en kan door een machine gelezen worden.

Nu wordt het interessant: het immuunsysteem reageert niet altijd hetzelfde op een vaccinatie. Sommige vaccinaties zorgen voor veel meetbare antilichamen, terwijl andere vaccinaties dit in veel minder mate doen. Er zijn vaccinaties die juist op locaal nivo in het lichaam voor een goede bescherming zorgt terwijl er niet veel meetbare antilichamen te vinden zijn in het serum. Een voorbeeld hiervan is de bescherming na een ILT oogdruppel vaccinatie.
Grofweg kan men vaccins indelen in 2 groepen: levende en dode vaccins.

Levende vaccins

Levende vaccins zijn, zoals de naam al aangeeft, levend en het doel is ervoor te zorgen dat ze nog steeds levend zijn wanneer ze worden toegediend. Ze worden meestal via spray, oogdruppelmethode, drinkwater toegediend, maar ook per injectie. Levende vaccins zijn niet identiek aan de oorspronkelijke ziekteverwekker (virus, bacterie of parasiet), maar zijn opzettelijk verzwakt. Dat betekent dat het immuunsysteem ze nog steeds kan herkennen als zijnde de ziekteverwekker en daarom antilichamen produceert, maar zonder de ziekte te ontwikkelen. Aan iedere vogel moet zo nauwkeurig mogelijk een volledige enkele dosis worden gegeven. Dit klinkt gemakkelijk, maar de praktijk is anders. Er kan een en ander fout gaan bij het bewaren, aanmaken en toedienen van levende vaccins. Dit kan dan resulteren in een verminderde immuunrespons en dus lager aantal meetbare antilichamen. Het succes van de toediening van een levend vaccin aan een koppel dieren kan worden aangegeven door de CV of variatie-coefficient te berekenen. De CV is een maat voor de spreiding van de antilichamen niveaus binnen een koppel. Als de spreiding hoog is (bijv. een CV van 60 of meer) betekent dit dat sommige vogels een veel grotere dosis hebben gekregen dan andere. Als CV’s erg smal zijn (bijv. 20 of lager), dan is de enting goed aangeslagen.

Dode vaccins

Dode vaccins stimuleren het immuunsysteem door de toediening van geactiveerde/afgedode ziekteverwekker door intramusculaire injectie. Deze vaccins bevatten meestal een aantal verschillende ziektekiemen in combinatie met een immuun-stimulerend middel (adjuvans), zoals minerale olie. Hoewel het in de praktijk een uitdaging is om ervoor te zorgen dat elke vogel een volledige dosis vaccin ontvangt, is het behalen van een goed vaccinatie effect middels injectie gemakkelijker dan via massa-applicatie (spray, water) van levende vaccins. De evaluatie van de toediening van een dood vaccin is wederom mogelijk door de titers van antilichamen te meten in het serum. Echter, de titers zullen in het algemeen hoger zijn en uniformer, dat wil zeggen er is minder verschil tussen de vogels in de koppel (CVs van 40 of lager). Analyse moet niet eerder worden gedaan dan 4 weken na de vaccinatie.

Conclusie

Samenvattend kan men stellen dat serologie een zeer bruikbare methode is om de effectiviteit van een vaccinatie te meten. Voor de interpretatie van de uitslag is echter nauwkeurige kennis nodig over de uitgevoerde vaccinatie schema’s, de gebruikte vaccins, de manier van toediening, de testmethode en de druk uit de omgeving van veldinfecties. Zonder deze kennis is de kans groot op een foutieve interpretatie van de gevonden antilichamen resultaten.